Resultaten in 2014

Klant en markt

Optimaliseren van de waarde van onze bestaande assets

Onze gastransport- en infrastructuuractiviteiten staan centraal in onze strategie; deze voeren we zo efficiënt mogelijk uit. Via onze netbeheerders GTS en Gasunie Deutschland zorgen wij voor de goede werking en de ontwikkeling van het gastransportnet. Dit doen wij door het borgen van de leveringszekerheid en het aanbieden van diverse diensten aan onze klanten. Veiligheid, betrouwbaarheid en operational excellence zijn daarbij leidend.

Gastransport

2014 was een warm jaar. Dat leidde in Nederland, Duitsland en omringende landen tot minder vraag naar aardgas dan in het vorige jaar. Een deel van het getransporteerde volume heeft betrekking op de doorvoer van gas van en naar het buitenland. Ons netwerk fungeert hierbij als internationaal knooppunt.

In 2014 hebben onze klanten 1.233 miljard kWh (126 miljard m3) gas door ons netwerk laten transporteren ten behoeve van eindgebruikers in binnen- en buitenland. Door ons Nederlandse net stroomde 976 miljard kWh (100 miljard m3) en door ons Duitse net 257 miljard kWh (26 miljard m3).

Transportopbrengsten

We hebben met het transport van gas en daaraan gerelateerde diensten een omzet van € 1.445 miljoen gerealiseerd: € 1.183 miljoen in Nederland en € 262 miljoen in Duitsland.

De ingebruikname van de nieuwe leiding tussen Odiliapeel en Melick in Nederland en de eerste fase van het uitbreidingsproject ExEll van Noord-Duitsland naar Denemarken heeft een positieve bijdrage geleverd aan de omzet. Door deze uitbreiding van onze infrastructuur hebben we extra capaciteit verkocht.

De omzet van GTS was in 2014 hoger dan in 2013. Dit wordt vooral veroorzaakt door het aflopen van de terugbetalingsverplichting die in 2013 nog van kracht was. Als hiervoor de omzet van 2013 gecorrigeerd wordt dan is de gerealiseerde omzet in 2014 lager dan de gecorrigeerde omzet in 2013. Dat wordt grotendeels verklaard door lagere tarieven in 2014 en door lagere verkopen dan verwacht. Dit laatste wordt in 2016 verrekend in de tarieven.

De tarieven van Gasunie Deutschland zijn in 2014 gestegen ten opzichte van 2013. Oorzaken hiervan waren de sterke daling van het aantal (langetermijn)capaciteitsboekingen in 2014 en de investeringen in uitbreiding van de transportcapaciteit. Omdat het verwachte boekingsprofiel de basis vormt voor de berekening van de tarieven, hebben we dit profiel aangepast op basis van de ervaringen van de laatste jaren.

Transportkosten

Door de lagere gasvraag in 2014 is er in Nederland minder energie voor het transport gebruikt en zijn de transportkosten lager dan in 2013. In Duitsland zorgde de ingebruikname van de NEL (de verbindingsleiding tussen Nord Stream en ons Duitse net) voor lagere compressiekosten. Via de NEL kan Noord-Duitsland vanuit Nord Stream beleverd worden. Voorheen werd meer gebruik gemaakt van de route vanuit de Noordzee via Emden. Daarnaast werd door de hogere temperaturen het gas in de gasopslagen in Duitsland in 2014 minder aangesproken waardoor er minder gastransport nodig was om deze weer te vullen.

Het scheppen van een gezonde en veilige werkomgeving en het minimaliseren van (milieu)risico’s voor de omgeving heeft prioriteit.

Veiligheidsprestaties

Veiligheid voor onze medewerkers en onze omgeving is een belangrijke randvoorwaarde voor het kunnen uitvoeren van onze werkzaamheden. Het scheppen van een gezonde en veilige werkomgeving en het minimaliseren van (milieu)risico’s voor de omgeving heeft daarom prioriteit. Ondanks alle inspanningen op het gebied van veiligheid zijn onze veiligheidsresultaten in 2014 minder positief dan in 2013. Het aantal letselgevallen met verzuim is verdubbeld, zowel voor eigen medewerkers (van 2 naar 4) als bij aannemers (van 3 naar 7). Ook het aantal reportables per miljoen gewerkte uren is toegenomen. De oorzaak is vooral gelegen in persoonlijk gedrag. We zijn daarom een programma gestart om het veiligheidsbewustzijn te verbeteren.
Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (BEVB) heeft tot doel om bij te dragen aan een veilige ligging van leidingen. In 2014 hebben we de laatste knelpunten die hieruit naar voren kwamen, opgelost.

Hoge leveringszekerheid

Naast veiligheid heeft ook betrouwbaarheid van het gastransport hoge prioriteit binnen ons bedrijf. In 2014 lag de leveringszekerheid op een zeer hoog niveau. Op één zeer korte onderbreking na hebben wij in Nederland en Duitsland volledige leveringszekerheid gerealiseerd. Bij deze onderbreking van het gastransport heeft één bedrijf in Nederland heel kortstondig geen gas ontvangen. We hebben onderzoek gedaan naar de oorzaak van de transportonderbreking en verbeterpunten opgesteld om het risico op onderbrekingen naar nul te brengen.

In 2014 lag de leveringszekerheid op een zeer hoog niveau.

Uitbreiding infrastructuur

In 2014 hebben we in Nederland onder meer de leidingtrajecten Beverwijk–Wijngaarden en Westerschelde West-Cambron, in gebruik genomen. Beide trajecten maakten deel uit van het zogeheten Integrated Open Season, waarbij klanten hun transportbehoefte op de lange termijn kenbaar hebben gemaakt en additionele transportcapaciteit hebben gecontracteerd. Op basis daarvan hebben we onze transportcapaciteit uitgebreid. Daarnaast hebben we de capaciteit op onze Oost-West route versterkt door uitbreidingen op compressorstation Grijpskerk.

Het in 2013 door GTS gestarte Open Season 2019 is in 2014 afgerond. Dit tweejaarlijkse proces heeft deze keer niet geleid tot additionele capaciteitsboekingen. Wel is er door meerdere partijen secundaire capaciteit aangeboden. Klanten geven aan dat de markt zich door ontwikkelingen, zoals de overgang naar veilingmechanismes die volgen uit de Europese wet- en regelgeving, meer richt op het verkrijgen van korte termijn gebundelde capaciteit, dan de langetermijn Open Season-capaciteit.  

Uitbreiding in noordelijke richting

Door verschillende ontwikkelingen is er een toenemende behoefte aan extra transportcapaciteit door Duitsland in noordelijke richting. Zo neemt de binnenlandse gasproductie in Denemarken af en is er meer vraag naar aardgas in Sleeswijk-Holstein en de regio Hamburg als gevolg van de Duitse ‘Energiewende’. We zijn daarom met het uitbreidingsproject Exit Ellund (ExEll) begonnen. De eerste fase is volgens planning en binnen budget in 2014 opgeleverd. De tweede fase zal naar verwachting eind 2015 gereed zijn. De voltooiing van het gehele project staat gepland voor midden 2016.

Verdieping Elbe-zinker

Door de verdieping en verbreding van de rivier de Elbe moet er een aanpassing aan de zogeheten Elbe-zinker plaatsvinden. Deze zinker zal anders niet diep genoeg meer liggen en daarmee niet meer voldoen aan de vergunningen. Gasunie Deutschland is samen met OGE, Telekom en WSV eigenaar van de zinker. De Elbe-zinker is van groot belang voor het gastransport naar Hamburg, Sleeswijk-Holstein, Denemarken en Zweden. Daarnaast is hij belangrijk voor de Scandinavische telecommarkt. De aandeelhouders zijn overeengekomen dat Gasunie zowel het commerciële als het technische management voor dit project op zich neemt, inclusief het vergunningentraject.

De uitvoering van dit project is begin 2014 gestart en in december afgerond. De nieuwe zinker heeft een lengte van 1,5 kilometer en een doorsnede van 2,6 meter. In april 2015 wordt hij op de bestaande infrastructuur aangesloten en in gebruik genomen. Daarna zullen de oude leidingdelen verwijderd worden.

Magnitude project

De provincie Groningen is geconfronteerd met een toenemend aantal aardbevingen als gevolg van gaswinning, waarvan bovendien de kracht groter is dan voorheen. Het Ministerie van Economische Zaken heeft bij GTS aangegeven voorlopig uit te gaan van aardbevingen van maximaal 5,0 op de schaal van Richter. Bij de aanleg van het gastransportsysteem is echter geen rekening gehouden met aardbevingen van die sterkte. Daarom heeft GTS onderzoek laten uitvoeren naar eventuele maatregelen om zeker te stellen dat haar infrastructuur hiertegen bestand is.

Op basis van deze onderzoeken is geconcludeerd dat het overgrote deel van de leidingen aardbevingen met krachten zoals die de komende jaren maximaal te verwachten zijn, kunnen doorstaan. Voor circa 4% (ongeveer 80 kilometer) van het regionale net van GTS in het aardbevingsgebied is dat niet met zekerheid aan te tonen. Dit betreft leidingen van voor 1964, die bij de oprichting van Gasunie zijn overgenomen. Uit onderzoek blijkt dat het gastransport via die leidingen onder de huidige omstandigheden geen risico loopt, maar stelt dat dit voor de toekomst, als de maximale kracht van de aardbevingen kan oplopen tot 5,0 op de schaal van Richter, niet aangetoond kan worden. Besloten is om dit deel van het leidingnet nu preventief aan te passen. Dat kan deels door vervanging gebeuren, maar ook wordt gekeken hoe het gastransport langs andere routes in stand gehouden kan worden. Op basis van studies heeft het Ministerie van Economische Zaken aangegeven dat de kans op aardbevingen met een kracht van 5 op de schaal van Richter toeneemt, maar ook de komende 5 jaar verwaarloosbaar klein is. Daarom heeft GTS een programma opgesteld waarin alle noodzakelijke maatregelen in de komende jaren geïmplementeerd worden en uiterlijk 2020 gereed zijn, te beginnen bij installaties en leidingen die het hoogste risico vormen.

Naast leidingmaatregelen neemt GTS ook bouwkundige maatregelen op stations en installaties. Hierbij worden op een aantal plaatsen preventief verstevigingen aangebracht om risico’s voor het gastransport te voorkomen en om ervoor te zorgen dat onze medewerkers veilig op onze locaties kunnen blijven werken. Het gaat dan bijvoorbeeld om de versterking van vloeren en plafonds en het verstevigen van steunpunten voor bovengrondse leidingdelen. Deze bouwkundige maatregelen zullen naar verwachting eind 2016 op alle installaties en stations in het aardbevingsgebied afgerond zijn.

Ontwikkelingen regulering

Nederland

Methodebesluit

In 2013 heeft de toezichthouder ACM de reguleringsmethode voor 2014-2016 vastgesteld. GTS heeft daartegen beroep aangetekend. In het methodebesluit legt ACM de methode van regulering vast voor de vijf wettelijke taken transport, balancering, kwaliteitsconversie, bestaande aansluitingen en nieuwe aansluitingen. De belangrijkste beroepsgronden hebben betrekking op de vaststelling van de vermogenskostenvergoeding (WACC) en de vaststelling van de productiviteitsverbetering die wordt gebruikt om de jaarlijkse afname van de toegestane kosten te berekenen. Een tussenuitspraak van het CBb op 5 maart 2015 heeft nog geen gevolgen gehad voor de status van het methodebesluit en geeft ACM de mogelijkheid motiveringsgebreken in het methodebesluit te herstellen. Het CBb zal niet eerder dan eind 2015 een einduitspraak doen in dit beroep tegen het methodebesluit.

Tariefbesluit

Naast deze beroepszaak speelde een aantal andere zaken op reguleringsgebied in 2014. Zo heeft ACM de meeste bezwaren van GTS met betrekking tot het tariefbesluit 2013 gegrond verklaard. Hierdoor worden in de tarieven over 2014 en 2015 correcties opgenomen. Redenen hiervoor zijn een foutieve berekening van de bouwrente in de tarieven 2013 en het feit dat het investeringsproject Stikstofbuffer Heiligerlee doelmatiger is beoordeeld (de efficiëntie van dat project is na bezwaar bepaald op 99,4%).

Kostenbenchmark

In 2014 speelde ook het voornemen van ACM om de efficiëntie van GTS vast te stellen door middel van een kostenbenchmark. ACM wil de totale kosten van GTS, dus zowel operationele kosten als historische kapitaalskosten, vergelijken met die van Duitse netbeheerders. ACM overweegt de resultaten hiervan te verwerken in de inkomstenregulering voor GTS vanaf 2017.

GTS heeft in 2014 met ACM over dit voornemen gesproken waarbij GTS haar bezwaren tegen de aanpak van ACM naar voren heeft gebracht. Hierbij spelen de grote verschillen tussen Nederlandse en Duitse netbeheerders een belangrijke rol, waardoor een vereenvoudigde vergelijking van de totale kosten van Duitse netbeheerders en GTS niet goed mogelijk is. Dit betreft bijvoorbeeld de verschillende wettelijke taken op het gebied van leveringszekerheid en kwaliteitsconversie en verschillen in inrichting en organisatie van de gas(transport)markt. Daarnaast wordt een kleine vergelijkingsgroep van 12 netbeheerders gehanteerd. Met een dergelijke kleine dataset is het in de ogen van GTS niet mogelijk robuuste en gevalideerde verbanden tussen kosten en output te verklaren.

In 2015 starten de voorbereidingen van ACM voor de reguleringsperiode vanaf 2017. Dan zal duidelijk worden of ACM haar voornemen om deze benchmark uit te voeren door zal zetten.  

Wetgeving en toegangsvoorwaarden

Door de internationalisering en de toenemende variatie in gassamenstelling heeft de minister van Economische Zaken besloten een nieuwe wettelijke taak toe te wijzen aan GTS. Door middel van een wetswijziging heeft GTS de taak gekregen om, indien nodig, niet alleen de Wobbe-index maar ook andere eigenschappen van gas aan te passen. De eisen die aan het gas worden gesteld, zijn in een Ministeriële Regeling (MR Gaskwaliteit), die op 1 oktober 2014 van kracht is geworden, vastgelegd. Door deze regeling is geborgd dat alle marktpartijen en huishoudens blijvend veilig gebruik kunnen maken van aardgas.

Duitsland

In mei heeft BNetzA een definitief besluit genomen met betrekking tot de toegestane omzet voor de reguleringsperiode van 2013 tot en met 2017 waarbij de efficiency van Gasunie Deutschland Transport Services GmbH op 100% is vastgesteld.

In april is BNetzA een consultatieproces begonnen om de eisen in kaart te brengen met betrekking tot de tarieven voor kortetermijnboekingen, voor afschakelbare capaciteit en voor entry- en exitpunten van gasopslagen. BNetzA is bereid om het tariferingssysteem te wijzigen om zodoende langetermijnboekingen meer te stimuleren dan kortetermijnboekingen. Dit kan het aantal boekingen stabiliseren dat nu erg volatiel en moeilijk voorspelbaar is. Verwacht wordt dat de wijziging op 1 januari 2016 zal ingaan.

In 2014 heeft BNetzA de effecten van omzetregulering geëvalueerd. Het rapport hierover is in 2015 aan de Duitse regering gezonden. Verwacht wordt dat in de volgende reguleringsperiode (vanaf 2018) aanpassingen kunnen worden doorgevoerd. Het is nog niet te voorzien wat dit concreet voor Gasunie Deutschland zal betekenen.  

Veranderende gassamenstelling

Door de internationalisering van gasstromen in Europa neemt de variatie in gassamenstellingen in ons net toe. Daarnaast zal de productie van aardgas in Noordwest-Europa teruglopen. Dit geldt ook voor de productie van Nederlandse gasvelden. Dat heeft allemaal gevolgen voor de eindgebruiker. In Nederland hebben we twee gescheiden gastransportnetten, voor laagcalorisch en hoogcalorisch gas. De huishoudelijke apparaten en een groot deel van de industriële apparatuur in Nederland is afgesteld op de vrij constante samenstelling van het laagcalorische Groningen-gas (G-gas). Op de lange termijn dient deze apparatuur ook geschikt te zijn voor een andere gassamenstelling.

Het Ministerie van Economische Zaken heeft een aantal marktpartijen gevraagd maatregelen te nemen om de eindverbruikers van gas voldoende tijd te geven hun apparatuur zo nodig aan te passen. Voor de G-gasmarkt geldt een overgangsperiode tot in elk geval 2030. In deze periode zorgt GTS ervoor dat de markt in Nederland gas ontvangt met een samenstelling die vergelijkbaar is met die van G-gas.

In Nederland gebruiken zo’n 80 bedrijven het hoogcalorisch H-gas, de overige bedrijven en alle huishoudens maken gebruik van G-gas. Ook voor afnemers van H-gas was er een overgangsregeling bepaald door het Ministerie van Economische Zaken om deze voldoende tijd te geven hun apparatuur waar nodig aan te passen aan de toenemende variatie in gassamenstelling. Die regeling liep tot 1 oktober 2014. Ondertussen hebben al deze bedrijven maatregelen uitgevoerd zodat ze het H-gas blijvend veilig kunnen gebruiken.

De op termijn afnemende productie van Groningen-gas is aanleiding geweest voor een studie naar de benodigde hoeveelheid kwaliteitsconversiemiddelen en stikstofproductie. In het proces van kwaliteitsconversie voegt GTS aan het (inter)nationale hoogcalorische gas (H-gas) stikstof toe, waarmee het gas een kwaliteit krijgt die gangbaar is voor de Nederlandse markt (G-gas). Door de afnemende productie uit het Groningenveld zal steeds vaker stikstof ingezet moeten worden om tijdens grote vraag de afnemer van laagcalorisch gas te kunnen voorzien. Uit het onderzoek is gebleken dat waarschijnlijk rond 2020 de pieken in de vraag niet langer met bestaande en reeds geplande middelen beleverd kunnen worden. GTS heeft op verzoek van de minister van Economische Zaken de uitbreiding van de kwaliteitsconversiefaciliteiten in voorbereiding en verwacht deze eind 2019 in gebruik te kunnen nemen om leveringszekerheid vanaf 2020 voor de klanten veilig te stellen.

Naast de teruglopende productie van gas in Nederland neemt de Duitse productie in hoog tempo af. Verwacht wordt dat de exportcapaciteit vanuit Nederland naar Duitsland vanaf 2020 gaat afnemen en in 2029 tot nul gereduceerd zal zijn. In het Duitse Netzentwicklungsplan (NEP) 2013 zijn de benodigde technische maatregelen al benoemd waarbij de Duitse markt vrijwel geheel wordt omgebouwd van laagcalorisch gas naar hoogcalorisch gas. Het doel is om de markt in 2030 volledig omgebouwd te hebben.
Gasunie Deutschland heeft een voortrekkersrol genomen in de ontwikkeling van de voorwaarden waaronder het ombouwproces moet gaan plaatsvinden. Deze voorwaarden worden vastgelegd in de Kooperationsvereinbarung (KoV) tussen de Duitse TSO’s.  

Samen met de aangrenzende netbeheerder Stadtwerke Schneverdingen heeft Gasunie Deutschland een ombouwovereenkomst gesloten om in 2015 een pilot project uit te voeren. Bij dit project wordt het aangrenzende regionale net omgebouwd tot een net voor hoogcalorisch gas. De ervaringen die worden opgedaan bij deze pilot worden gebruikt voor de nieuwe projecten met andere regionale netten die conform het Netzentwicklungsplan voor 2016 gepland staan.  

Wat gebeurde er verder in 2014

  • We hebben ons meerjarig vervangingsprogramma in Nederland, dat bestaat uit het renoveren en deels vervangen van afsluiterschema’s, meet- en regelstations en gasontvangstations, opgeschaald. Het vervangingsprogramma heeft een verwachte looptijd tussen 15 en 20 jaar.
  • In december 2014 is vastgesteld dat GTS aan de gestelde eisen voldoet voor certificering conform NTA 8120. Dit is een Nederlandse technische afspraak waarin de eisen zijn uitgewerkt waaraan het asset managementsysteem van een elektriciteits- of gasnetbeheerder moet voldoen op het gebied van veiligheids-, kwaliteits- en capaciteitsmanagement.
  • Per 1 januari 2014 heeft Gasunie het eigendom van het gastransportnetwerk in Nederland en de daarmee samenhangende activa, passiva en activiteiten overgedragen aan GTS. De overdracht maakt onderdeel uit van de certificering van GTS als onafhankelijke netbeheerder.
  • In het verlengde van de overdracht van de assets van Gasunie aan GTS, zijn per 1 januari 2014 de assets en activiteiten die betrekking hebben op de installaties van de Peakshaver op de Maasvlakte ingebracht in een aparte onderneming, Gasunie Peakshaver BV.
  • Omdat marktpartijen op steeds kortere termijn en voor kortere looptijden capaciteit boeken, heeft GTS minder inzicht in de behoefte aan capaciteit op de langere termijn. GTS is in 2014, vooruitlopend op de wetswijziging STROOM in 2015, gestart met het opstellen van een netwerkontwikkelingsplan (NOP). Dit plan illustreert eventuele ontwikkelingen van het gastransportnetwerk van GTS aan de hand van een reeks plausibele energiescenario's. Bij het NOP worden ook de marktpartijen geconsulteerd. Deze consultatiefase zal medio 2015 plaatsvinden. Het NOP vervangt de voorheen gebruikelijke Open Seasons.

Versterken van onze leidende positie als grensoverschrijdend gasinfrastructuurbedrijf

Energiegebruikers hebben baat bij sterke internationale gasverbindingen en een liquide gasmarkt. Dit is gunstig voor de beschikbaarheid en betaalbaarheid van gas. In een energiewereld die steeds internationaler wordt, willen we onze infrastructuur zo goed mogelijk blijven benutten en de waarde ervan behouden of zelfs vergroten. Daarom is het belangrijk dat onze infrastructuur voor marktspelers de voorkeursroute is voor hun gastransport. We analyseren hun behoeften en ontwikkelen diensten die hierop aansluiten, waar mogelijk in Europees verband.
Daarnaast blijven we kijken naar mogelijkheden tot een intensievere samenwerking met andere gasinfrastructuurbedrijven om te komen tot een verdere verbreding en versterking van de gasrotonde.

Groeiende gashandelsplaatsen bevorderen marktliquiditeit

Een goedwerkende gasmarkt is een belangrijk onderdeel van de gasrotonde. Het trekt namelijk gasstromen aan en vergroot de concurrentie in vraag en aanbod. Wij willen de huidige leidende positie van de gashandelsplaats TTF, de meest liquide en toonaangevende hub van continentaal Europa, uitbouwen door het optimaliseren van bestaande en het ontwikkelen van nieuwe diensten.

TTF

TTF is de Nederlandse virtuele handelsplaats waar gas kan worden verhandeld. TTF is de afgelopen jaren uitgegroeid tot een van de meest toonaangevende liquide gashubs in Europa, naast het Engelse National Balancing Point (NBP). Ondanks een dalende gasvraag in Noordwest-Europa is er op TTF in 2014 veel meer volume verhandeld dan ooit te voren. Vooral in de bilaterale Over-The-Counter handel (OTC) vond een enorme toename plaats, waardoor TTF er in 2014 in is geslaagd om de jarenlange Europese OTC-koppositie van NBP over te nemen. Ook via gasbeurzen is er meer in TTF-producten gehandeld dan in voorgaande jaren. Een goed werkend TTF versterkt de voorzieningszekerheid en zorgt er bovendien voor dat vraag en aanbod goed hun werk doen in een transparante en liquide markt.
Om de marktwerking nog verder te bevorderen biedt GTS het gebruik van de handelsplaats TTF sinds 1 juni 2014 gratis aan voor shippers.

Een goed werkend TTF versterkt de voorzieningszekerheid en zorgt er bovendien voor dat vraag en aanbod goed hun werk doen.

In 2014 is via TTF in totaal 13.216 miljard kWh gas verhandeld, ten opzichte van 8.287 kWh in 2013. Het fysieke volume dat via TTF stroomt, het netto TTF-volume, bedroeg in 2014 430 miljard kWh tegen 447 miljard kWh in 2013. Net als in de twee voorgaande jaren is daarmee het fysieke TTF-volume groter dan de Nederlandse gasconsumptie. Zowel binnen- als buitenland maken bij de invulling van hun gasbehoefte gebruik van TTF.
Het aantal actieve TTF-handelaren is in 2014 weer verder toegenomen en ligt met 127 opnieuw ruim boven het vorige aantal (113 in 2013).

GASPOOL

Ook op de Noord-Duitse gashandelsplaats GASPOOL is er groei te zien. Zowel verhandeld volume als liquiditeit zijn toegenomen in 2014. Het verhandeld volume bedroeg 1.291 miljard kWh in 2014 (1.251 miljard kWh in 2013). Het netto volume daalde naar 400 miljard kWh (2013: 444 miljard kWh).
Eind 2014 is het aantal handelaren op GASPOOL met 43 gegroeid naar 398 (355 in 2013).

ICE Endex

ICE Endex faciliteert als beurs voor spotgas- en derivatenmarkten onder meer handelsstromen op TTF. In 2014 heeft ICE Endex het marktaandeel in haar primaire markt (TTF Futures) verhoogd van ongeveer 10% begin 2014 naar 20% tegen het eind van het jaar. In combinatie met een sterk jaar voor de TTF Futures-markt als geheel, heeft dit geleid tot een aanzienlijke toename in de verhandelde TTF Futures-contracten met ongeveer 70% ten opzichte van 2013. Hiermee is ook de positie van TTF als meest liquide continentale hub en price maker van Noordwest-Europa verstevigd.

Samenwerken in Europees verband

Ontwikkeling Europese gasmarkt

Om de ontwikkeling van een competitieve Europese gasmarkt te stimuleren en de marktliquiditeit te bevorderen, wordt er door TSO’s samengewerkt. Dit gebeurt onder andere in ENTSOG (European Network of Transmission System Operators for Gas). Binnen ENTSOG stemmen TSO´s onder andere hun plannen af op het gebied van de Europese netwerkcodes, het tienjarig netontwikkelingsplan en de bevordering van transparantie.

Door gastransportdiensten te harmoniseren wordt grensoverschrijdende gashandel bevorderd. In 2014 hebben GTS en Gasunie Deutschland daarom hard gewerkt aan het mede vormgeven van nieuwe Europese netwerkcodes. Ook zijn de al eerder goedgekeurde netwerkcodes op het gebied van capaciteitstoedeling (CAM) en congestiebeheer (CMP) en op het gebied van balancering (verder) geïmplementeerd. De invoering van de netwerkcode voor balancering heeft onder andere tot gevolg dat GTS nu gebruik maakt van de binnen-de-dag-gasmarkt van gashandelsbeurs ICE-Endex voor haar balanceertransacties. Hierdoor wordt de liquiditeit op de binnen-de-dag-gasmarkt bevorderd, waardoor shippers efficiënter en goedkoper kunnen balanceren.  

Door gastransportdiensten te harmoniseren wordt grensoverschrijdende gashandel bevorderd.

Veilen via PRISMA

Via het veilingplatform PRISMA was het voor shippers al mogelijk om (gebundelde) capaciteit van GTS en Gasunie Deutschland boeken op het grenspunt Oude Statenzijl. Sinds januari 2014 is het aanbieden van capaciteit via dit veilingplatform uitgebreid naar alle GTS-grenspunten. Hier wordt de capaciteit gebundeld met capaciteit van de aangrenzende netbeheerders. Via het veilingplatform PRISMA is inmiddels ook de implementatie van delen van CMP mogelijk gemaakt: shippers kunnen capaciteit teruggeven en GTS kan capaciteit overboeken en zo nodig terugkopen.

Naast TSO’s uit de landen die het PRISMA platform hebben opgestart (Nederland, België, Duitsland, Denemarken, Frankrijk, Italië en Oostenrijk) is BBL in 2014 aandeelhouder geworden. Verder bieden nu ook TSO’s uit het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Slovenië transportcapaciteit aan via het PRISMA platform. Voor 2015 wordt uitbreiding verwacht met onder meer Spanje en Portugal.

Flexibiliteitdiensten via fast-cycle gasopslag

De overgang naar een duurzame energiemix vereist slimme en snelle flexibiliteitdiensten. Daarom biedt onze fast-cycle gasopslag EnergyStock (voorheen Gasunie Zuidwending) oplossingen op maat voor energiebedrijven en handelaren. Die kunnen met de diensten van EnergyStock hun energieportfolio’s optimaliseren, back-up verzekeren, risico’s managen en handelsmogelijkheden verbeteren. De diensten van EnergyStock zijn beschikbaar via TTF. In 2014 heeft EnergyStock twee veilingen gehouden. Beide veilingen waren succesvol omdat er veel beschikbare capaciteit is vermarkt en er nieuwe klanten zijn aangetrokken.

De overgang naar een duurzame energiemix vereist slimme en snelle flexibiliteitdiensten.

Wat gebeurde er verder in 2014

  • Nord Stream heeft in 2014 naast terugbetaling van ingelegd kapitaal ook het eerste dividend, € 9,6 mln aan Gasunie uitgekeerd. Dit bedrag zal de komende jaren nog stijgen.
  • GTS is op 3 juni 2014 succesvol overgegaan op het vernieuwde balanceringsregime. De grootste verandering in het nieuwe systeem is dat de biedladder is vervangen door de binnen-de-dag-markt van ICE Endex. Hiermee is het nieuwe regime volledig in lijn gebracht met de Europese netwerkcode voor balancering.
  • BBL is in 2014 toegetreden tot ENTSOG, de Europese organisatie van gasnet operators.

Eén van de doelen is om samen met andere Europese gasinfrastructuurondernemingen de gasvoorziening CO2-neutraal te maken tegen 2050.

Transitie naar meer duurzaam energiegebruik

Gasunie gelooft in een duurzame energievoorziening. Om onze rol in de transitie daar naartoe concreet vorm te kunnen geven, hebben we New Energy opgericht. Deze afdeling houdt zich uitsluitend bezig met projecten op het gebied van duurzame energie. Dit soort projecten pakken we het liefst op samen met andere partijen, binnen en buiten de energieketen.

Eén van de doelen is om samen met andere Europese gasinfrastructuurondernemingen de gasvoorziening CO2-neutraal te maken tegen 2050. Daarnaast kijken we hoe onze infrastructuur bijvoorbeeld in de warmtemarkt, maar ook buiten de gasketen een bijdrage kan leveren aan een duurzame energietoekomst.

Samen met partners naar slimme energieoplossingen

Nieuwe LNG-diensten

Vloeibaar aardgas (LNG) is een schonere transportbrandstof dan bijvoorbeeld diesel en levert een belangrijke bijdrage aan reductie van emissies in de scheepvaart en het wegtransport. Motoren op LNG zijn daarnaast geruislozer, waardoor de geluidsoverlast vermindert. Tevens kan LNG een oplossing bieden voor industrieën in gebieden waar geen gaspijpleidingen aanwezig zijn.

Gate terminal (Gate) heeft zich in 2014 verder ontwikkeld als LNG-hub met een veelzijdig aanbod van LNG-diensten voor haar klanten. Gate draagt zo bij aan de diversificatie van aanvoerroutes van gas en daarmee aan de voorzieningszekerheid in Europa.  

In 2014 is het aantal schepen voor aan- en doorvoer van LNG in vergelijking met 2013 gegroeid van 23 naar 34. Deze groei wordt met name veroorzaakt door de toename van de zogenoemde ‘small scale’ (met name truckloading) en reloading activiteiten. Hierbij worden LNG-ladingen in kleinere hoeveelheden opgesplitst en verder getransporteerd. Dit maakt het voor de klanten van Gate mogelijk om LNG te distribueren als brandstof voor zeeschepen, veerboten, vrachtwagens en voor toepassing in de industrie.

In januari 2014 heeft Gate een laadstation voor LNG-tankwagens en containers in bedrijf genomen met een totale capaciteit van 5.000 tankwagens per jaar. Daarnaast hebben we samen met Vopak op 3 juli bekend gemaakt dat Gate haar break bulk infrastructuur en -diensten zal gaan uitbreiden.

In de zomer is de bouwfase van start gegaan die gaat resulteren in de aanleg van een derde aanlegsteiger en aanverwante installaties die speciaal bedoeld zijn voor de break bulk activiteiten. De oplevering van de installatie en de start van de eerste dienstverlening staan gepland voor medio 2016.

Power-to-gas

Om de overgang naar een duurzame energievoorziening mogelijk te maken zijn nieuwe oplossingen voor de opslag en het transport van energie nodig. Het aanbod van elektriciteit opgewekt uit wind en zon schommelt sterk, al naar gelang de weersomstandigheden en sluit daardoor niet altijd goed aan op de vraag. Power-to-gas biedt samen met bestaande gasinfrastructuur een oplossing om het overschot aan duurzame niet geheel verloren te laten gaan. In een elektrolyse-installatie kan duurzame elektriciteit (opgewekt uit zon en wind) worden gebruikt om water te splitsen in zuurstof en waterstof. Door het waterstof samen te voegen met koolstofdioxide kan er zelfs methaan (het hoofdbestanddeel van aardgas) worden geproduceerd. Dit is een schoon en duurzaam proces.
Zowel het waterstof als het methaan kunnen vervolgens in de gasinfrastructuur worden geïnjecteerd. Op die manier kunnen tijdelijke overschotten van duurzame energie worden opgeslagen voor later gebruik en worden overbelasting van elektriciteitsnetten en investeringen in de uitbreiding ervan voorkomen. Gas is makkelijk op te slaan en bovendien de goedkoopste vorm van energietransport. Hiermee komt aardgasinfrastructuur in een nieuwe rol: als opslag- en transportmedium voor duurzame energie.

Power-to-gas biedt samen met bestaande gasinfrastructuur een oplossing om het overschot aan duurzame niet geheel verloren te laten gaan.

In 2014 hebben we samen met Energy Valley, Torrgas, Siemens, Stedin, A.Hak en Hanzehogeschool/Entrance een consortium opgericht dat onderzoek gaat doen naar power-to-gas. Het consortium heeft tot doel om in Delfzijl binnen twee jaar de eerste grootschalige, volledig geïntegreerde power-to-gas-installatie in Nederland te bouwen. De installatie moet een productiecapaciteit krijgen van 12 Megawatt, en moet waterstof en syngas produceren voor de chemische industrie.

Groen gas: van gras naar gas

Gasunie wil het aandeel van groen gas in de energiemix vergroten door met derden nieuwe concepten en verdienmodellen te ontwikkelen. Daarom heeft New Energy in 2014 met de firma HarvestaGG de handen ineengeslagen om in de provincie Groningen een installatie te bouwen waarmee HarvestaGG vanuit biomassa(gras) onder andere biogas produceert waarna wij dit behandelen en vervloeien naar bio-LNG. HarvestaGG heeft een proces ontwikkeld waarbij de waarde van de biomassa volledig wordt benut. Ze gaat met ca. 150.000 ton gras ongeveer 20 miljoen m3 biogas produceren waarvan er na opwerking (verwijdering van CO2) en vervloeiing zo’n 6.500 ton bio-LNG overblijft. Daarnaast wordt er ca. 12.000 ton brijvoer (dat bijvoorbeeld wordt gebruikt als voer voor varkens) geproduceerd in de vorm van grassap, komt er ca. 17 miljoen kg (biologische) CO2 vrij die kan worden hergebruikt en wordt er in hetzelfde proces ca. 28.000 ton mestkorrels geproduceerd. Dit is een voorbeeld van bio-based business. De installatie levert een impuls aan de lokale economie met werkgelegenheid voor de omgeving, circa 20 direct fte’s en 15 indirecte fte’s. De verwachting is dat eind 2015 de vergunning is verleend waarna met de bouw begonnen kan worden. Voor die tijd moeten nog wel aanvullende stappen worden gezet, onder andere om een breed gedragen investering te bewerkstelligen en strategische partners te vinden die de bouw van deze en toekomstige installaties op zich kunnen nemen.

Green gas booster

Met een groen gas booster kan groen gas van het ene netwerk naar het andere worden ‘overgestort’. In 2014 hebben we met verschillende partijen gekeken naar de wensen en mogelijkheden die er in Nederland ten aanzien van overstort zijn. Zo hebben we met Attéro en Enexis vastgesteld dat in Wijster een groen gas booster gewenst is om het aandeel groen gas dat niet in het RNB-net kan worden opgenomen, over te storten naar het netwerk van GTS. We zetten hiervoor een pilot op, waarvoor we in het voorjaar van 2015 een definitief investeringsbesluit zullen nemen. We willen de voorzieningen in 2016 gereed hebben.

Vertogas

Vertogas, een van onze dochterondernemingen, is een zelfstandig en onafhankelijk bedrijf dat met haar certificatensysteem de handel in groen gas faciliteert. Vertogas-certificaten geven aan waar het groene gas is geproduceerd en welke soorten biomassa daarbij zijn toegepast. Handelaren en afnemers van groen gas hebben hierdoor de zekerheid dat het om echt groen gas gaat.
Een erkend groengascertificatensysteem is een van de randvoorwaarden voor de verdere vorming van een groengasmarkt. Sinds 1 januari 2015 is de rol van Vertogas als certificeerder van hernieuwbaar gas (groen gas) veranderd. Vertogas treedt vanaf 1 januari op namens de minister van Economische Zaken, en voert haar taak uit op basis van de nieuwe energiewetgeving, waarin ook de certificering van hernieuwbare energie is opgenomen.
Over 2014 zijn 530.000 certificaten uitgegeven waarmee 53 miljoen m3 groen gas is gecertificeerd (gerekend over een periode van elf maanden in verband met overschakeling naar andere boekjaargrenzen). In 2014 is er één nieuwe producent bijgekomen; in totaal maken 21 producenten gebruik van groengascertificaten. In 2014 kwamen er ook negen nieuwe handelaren bij; in totaal maken nu 28 handelaren maken gebruik van het systeem.

Henk Herremans

Directeur Aannemersbedrijf Visser & Smit Hanab

Henk Herremans

Directeur Aannemersbedrijf Visser & Smit Hanab

Henk Herremans is directeur van aannemersbedrijf Visser & Smit Hanab (V&SH). Verbinden zit in het DNA van V&SH. Zij streven naar langdurige samenwerkingen waarin ze investeren in een duurzame...

Lees het interview

Henk Herremans is directeur van aannemersbedrijf Visser & Smit Hanab (V&SH). Verbinden zit in het DNA van V&SH. Zij streven naar langdurige samenwerkingen waarin ze investeren in een duurzame samenleving.

Aannemer en opdrachtgever werken hierbij continu aan een gezamenlijk doel. Daarbij kunnen de randvoorwaarden voor beide partijen wél verschillen. Zo zijn wij altijd op zoek naar een continue inzetbaarheid van onze medewerkers, terwijl Gasunie vooral stuurt op beschikbaarheid in het kader van leveringszekerheid. Dat geeft een gezond spanningsveld.

'Eigenlijk al sinds de start van de aanleg van de gasinfrastructuur in Nederland zijn V&SH en Gasunie partners van elkaar. Het is voor ons een grote opdrachtgever. Wij zijn op alle fronten alle dagen actief in het onderhouden, aanpassen en uitbreiden van de bestaande faciliteiten en netwerken. Ongeacht of het gaat om regulier onderhoud, storingsdiensten of grote nieuwbouwprojecten. Gasunie is voor ons een serieuze gesprekspartner en we gaan op basis van gelijkwaardigheid met elkaar om. Daarbij worden over en weer hoge eisen gesteld, want wij hebben net als Gasunie kwaliteit, veiligheid en professionaliteit ‘hoog in het vaandel'.

Gasunie is voor ons een serieuze gesprekspartner en we gaan op basis van gelijkwaardigheid met elkaar om.

Voor de toekomst zou ik het mooi vinden als we de voorwaartse integratie die we beide ambiëren verder vorm kunnen geven. Wij schuiven graag eerder in het proces aan tafel om onze ervaring en kennis in te kunnen brengen bij het ontwerp- en planproces. Wij bereiden ons daar al geruime tijd op voor en vertrouwen erop dat we gezamenlijk op korte termijn deze stap gaan zetten.'

Jan Cees Vogelaar

Directeur HarvestaGG

Jan Cees Vogelaar

Directeur HarvestaGG

Jan Cees Vogelaar is directeur van HarvestaGG, een bedrijf met een missie: ‘de wereld een beetje groener maken’. HarvestaGG wil een bijdrage leveren aan het verduurzamen van de landbouw en de...

Lees het interview

Jan Cees Vogelaar is directeur van HarvestaGG, een bedrijf met een missie: ‘de wereld een beetje groener maken’. HarvestaGG wil een bijdrage leveren aan het verduurzamen van de landbouw en de transportsector.

'Het eerste contact met Gasunie heb ik gehad tijdens een bijeenkomst over biobased economy. HarvestaGG maakt onderdeel uit van de agrosector, en heeft een goed business concept ontwikkeld om vanuit gras biogas te produceren, en zocht partners om de productieketen rond te maken. Dat concept sprak Gasunie aan. We zijn daarom in 2014 om de tafel gaan zitten om te kijken hoe we elkaar kunnen versterken, en we hebben daarvoor een goede manier gevonden. Wij produceren groen gas uit gras, dat Gasunie kan upgraden naar bio LNG en invoeden in haar netwerk.

Met dit project verbinden we twee verschillende werelden aan elkaar, de agrosector en energie, en dat vind ik bijzonder.

Ons concept creëert voor iedereen een win-win situatie. Boeren moeten deels vergroenen vanwege Europese wetgeving. Het verbouwen van gras past daarin. Gras is tevens een uitstekende bodemverbeteraar, die meerdere malen per jaar geoogst kan worden. Boeren verdienen er daarom meer mee dan met bijvoorbeeld wintertarwe. Wij maken daar brandstof van, waarmee onze energievoorziening kan vergroenen.

Gasunie is een bedrijf met andere businessmodellen dan in mijn sector, veel behoudender. Ik merk dat financiering een lastig punt is, innovaties brengen nou eenmaal bepaalde risico’s met zich mee. Investeringen met risicodragend kapitaal liggen voor Gasunie moeilijk omdat het een bedrijf is met een publieke taak dat verantwoording af moet leggen over haar investeringen.

Ik communiceer graag open en transparant en dat wordt op prijs gesteld. Ik krijg hetzelfde terug, en dat schept vertrouwen in deze samenwerking. Met dit project verbinden we twee verschillende werelden aan elkaar, de agrosector en energie, en dat vind ik bijzonder.

Als dit project voorspoedig verloopt, kunnen we in 2016 productie draaien. Over 5 jaar hoop ik de eerste drie à vier locaties in Nederland aan het werk te hebben. En daarna? Dit concept biedt kansen in heel Europa, en ik kijk graag over grenzen heen. Misschien hebben we dan ook één of twee installaties in België.'

Dr. Martin Bürgel

Executive Vice President, Director Oil and Gas, PSI Aktiengesellschaft für Produkte und Systeme der Informationstechnologie

Dr. Martin Bürgel

Executive Vice President, Director Oil and Gas, PSI Aktiengesellschaft für Produkte und Systeme der Informationstechnologie

Dr. Martin Bürgel is Executive Vice President, Director Oil and Gas bij de PSI Group in Berlijn. PSI ontwikkelt en integreert software-oplossingen en complete systemen voor onder andere...

Lees het interview

Dr. Martin Bürgel is Executive Vice President, Director Oil and Gas bij de PSI Group in Berlijn. PSI ontwikkelt en integreert software-oplossingen en complete systemen voor onder andere infrastrcutuurbedrijven. Het bedrijf is leverancier van het belangrijke netwerkcontrolesysteem van Gasunie Deutschland.

‘PSI heeft een langlopende zakelijke relatie met Gasunie Deutschland ontwikkeld, daterend uit de oude tijden van BEB Transport GmbH. In 2008 startte een nieuw hoofdstuk met de bestelling door Gasunie Deutschland van INGa – het geÏntegreerde Netwerkcontrolesysteem voor Gastransport. Als belangrijkste IT-systeem van Gasunie Deutschland is INGa thans diep verankerd in de organisatie van Gasunie Deutschland en verbonden met veel afdelingen binnen het bedrijf.

Elk complex en langlopend samenwerkingsproject kent facetten van een huwelijk – je leert elkaar kennen, gaat samen door moeilijke tijden, zoekt naar oplossingen, leert elkaar vertrouwen en maakt samen iets nieuws. Dit alles in een snel veranderende wereld. Dit was ook onze ervaring met Gasunie Deutschland. Het was veel werk en soms was het een grote uitdaging om alle nieuwe eisen in te voeren De resultaten die wij hebben bereikt met betrekking tot gastransportmanagement en informatieveiligheid bleken echter een succes te zijn en worden op dit moment ook toegepast door andere internationale TSO’s.

Je leert elkaar kennen, gaat samen door moeilijke tijden, zoekt naar oplossingen, leert elkaar vertrouwen en maakt samen iets nieuws.

Zowel Gasunie Deutschland als PSI exploiteren en ondersteunen het systeem 24/7 en de gezamenlijk ontwikkelde redundantieconcepten en informatieveiligheid vormen de basis van de hoge betrouwbaarheid van het management van de fysieke gasstromen.

De ontwikkeling van dit informatiesysteem vond plaats op een moment datzowel IT-ontwikkelingen als de Europese gasmarkten een transitie doormaakten. Gasunie Deutschland kreeg bijvoorbeeld te maken met meer shippers, shippers die afgesplitst waren van de infrastructuurbedrijven en nieuwe transparantie- en flexibiliteitseisen van de toezichthouder.

Onze samenwerking is succesvol want Gasunie Deutschland exploiteert nu één van de beste gasmanagementsystemen ter wereld exploiteert. Maar het werk is nog niet af. Onze gezamenlijke toekomstuitdaging blijft de ontwikkeling van adequate softwareoplossingen waarmee we kunnen inspelen op de kansen en ontwikkelingen die zich zowel binnen de ICT als binnen de energiebranche voordoen.'

Gert van der Tas

Directeur Dura Vermeer Ondergrondse Infra

Gert van der Tas

Directeur Dura Vermeer Ondergrondse Infra

Gert van der Tas is directeur van Dura Vermeer Ondergrondse Infra. Dura Vermeer is actief in bouw, infrastructuur, engineering en dienstverlening. Met haar kennis, ervaring en vakmanschap streeft...

Lees het interview

Gert van der Tas is directeur van Dura Vermeer Ondergrondse Infra. Dura Vermeer is actief in bouw, infrastructuur, engineering en dienstverlening. Met haar kennis, ervaring en vakmanschap streeft Dura Vermeer ernaar een optimale bijdrage te leveren aan het waarmaken van de ambities van haar klanten.

Belangrijk is dat je luistert naar elkaar en wat doet met de ideeën van de ander.

'Samen met 4 andere in ondergrondse infrastructuur gespecialiseerde bedrijven voeren wij middelgrote projecten voor Gasunie uit. Wij werken al meerdere decennia voor Gasunie en dat doen we naar volle tevredenheid. Voor ons staat een serieuze relatie met de klant voorop, we zijn partners van elkaar en zo werken we ook samen. Belangrijk daarbij is dat je luistert naar elkaar en wat doet met de ideeën van de ander. Onze relatie met Gasunie is open, er is wederzijds respect en de verwachtingen over en weer zijn duidelijk. Als er dan vervolgens iets afwijkt dan wordt dat herkend en erkend en kun je samen naar een oplossing kijken.

We merken dat de projecten waar Gasunie mee bezig is complexer van aard worden. Dat betekent dat ze ook meer van ons vragen, zoals extra opleidingen voor onze medewerkers. Die investering doen we graag. We merken echter ook dat Gasunie er dan vervolgens zelf nog niet altijd klaar voor is. Doordat het een grote organisatie is, loopt besluitvorming langs veel schijven. Het zou mooi zijn als we dat beter op elkaar kunnen afstemmen.

Een ontwikkeling die zich nu aan het inzetten is, is de zogenaamde voorwaartse integratie. Daarbij willen we al in de planfase gesprekspartner zijn. Zo kunnen wij bijvoorbeeld meewerken aan de omgevings- en detailengineering. Op die manier kun je nog beter gebruik maken van elkaars expertise en de meeste meerwaarde creëren.'

Jörn Maurer

Managing director Stadtwerke Schneverdingen-Neuenkirchen GmbH

Jörn Maurer

Managing director Stadtwerke Schneverdingen-Neuenkirchen GmbH

Jörn Maurer is managing director van het regionale gasnetwerk Stadtwerke Schneverdingen-Neuenkirchen GmbH.  Op dit netwerk in Noord-Duitsland zijn 6000 klanten aangesloten, die met ingang van...

Lees het interview

Jörn Maurer is managing director van het regionale gasnetwerk Stadtwerke Schneverdingen-Neuenkirchen GmbH.  Op dit netwerk in Noord-Duitsland zijn 6000 klanten aangesloten, die met ingang van oktober 2015 als eerste in Duitsland zullen overgaan van laagcalorisch naar hoogcalorisch gas.

‘In eerste instantie zou een ander netwerk, namelijk het netwerk van Stadtwerke Achim, als het eerste marktconversiegebied overgaan naar hoogcalorisch gas. Maar vanwege de technische complexiteit in Achim en de gunstigere omgevingsomstandigheden in Schneverdingen werd ons Stadtwerk het pilotproject. Samen met Gasunie Deutschland bespraken we de uitdagingen van deze marktconversie en kwamen we tot goede oplossingen.

Samen met Gasunie Deutschland bespraken we de uitdagingen van deze marktconversie en kwamen we tot goede oplossingen.

In Duitsland is al eerder elders ervaring opgedaan met de overgang van L- naar H-gas, de technische kennis is er dus. De belangrijkste uitdaging voor ons is het plannen en coördineren van het proces tussen alle externe betrokken stakeholders, en daarnaast het verkleinen van mogelijke risico’s . Gasunie was zeer behulpzaam bij dit proces en onze directe communicatie leidde tot goede resultaten.

Het feit dat je de eerste bent, brengt kansen en risico’s met zich mee. De toezichthouder in Niedersachsen is vooral geïnteresseerd in het onderscheid tussen kosten die uitsluitend verband houden met de marktconversie en kosten die verbonden zijn aan de oorspronkelijke netwerkexploitatie. Gelet op de omvang van ons bedrijf en om zo transparant mogelijk te kunnen zijn, hebben wij ervoor gekozen de noodzakelijke diensten te outsourcen. Dit maakt het mogelijk om de kosten die uitsluitend verband houden met het conversieproces duidelijk in kaart te brengen.

Het belangrijkste knelpunt was de beschikbaarheid van bedrijven met voldoende menskracht om het technische conversieproces op tijd te faciliteren. Wij hebben gekozen voor een gediversifieerd aanbestedingsproces. Dit verkleint de risico’s en maakt concurrentie mogelijk zodat de kosten zo laag mogelijk blijven. Wij hebben ervaren dat angst voor Europese aanbestedingsprocessen niet nodig is. Alles is beheersbaar.’

Financiële resultaten

Kerncijfers (gerapporteerd)

Kerncijfers (gerapporteerd)
In € miljoenen 2014 2013 herzien *)
     
Opbrengsten 1.651 1.464
Totale lasten -/- 758 -/- 707
     
Bedrijfsresultaat 893 757
Financiële baten en lasten -/- 88 -/- 140
     
Resultaat voor belastingen 805 617
Belastingen -/- 202 -/- 153
     
Resultaat na belastingen 603 464

*) Voor een nadere toelichting verwijzen wij naar punt 1 ‘Herziene cijfers door IFRS 11 Joint Arrangements’ in de geconsolideerde jaarrekening.

Opbrengsten

De gerealiseerde opbrengsten zijn € 187 miljoen hoger dan in 2013. Dit wordt met name veroorzaakt door de beëindiging per ultimo 2013 van de terugbetalingsverplichting met betrekking tot de methodebesluiten van GTS uit het verleden.

Bedrijfsresultaat

Het bedrijfsresultaat is gestegen met € 136 miljoen. Naast de eerder genoemde stijging van de opbrengsten, is er sprake van hogere lasten, met name doordat in 2013 het Nederlandse deel van de pensioenvoorziening is vrijgevallen als gevolg van een nieuwe pensioenregeling. Daarnaast hebben we door de hoge temperaturen in 2014 minder energie voor het transport gebruikt waardoor de energiekosten lager zijn dan in 2013. Deze worden in de toekomst verrekend in de tarieven. Ook leidt de ingebruikname van de NEL tot lagere transport- en energiekosten en was er in Duitsland door de hoge temperaturen minder gastransport nodig om gasopslagen te vullen. De onderhoudskosten zijn zoals verwacht in 2014 gestegen, maar dit is meer dan gecompenseerd door lagere overige kosten.

Kerncijfers (genormaliseerd)

Kerncijfers (genormaliseerd)
In € miljoenen 2014 2013 herzien *)
     
Opbrengsten 1.651 1.670
Totale lasten -/- 758 -/- 797
     
Bedrijfsresultaat 893 873
Financiële baten en lasten -/- 88 -/- 140
     
Resultaat voor belastingen 805 733
Belastingen -/- 202 -/- 182
     
Resultaat na belastingen 603 551

*) Voor een nadere toelichting verwijzen wij naar punt 1 ‘Herziene cijfers door IFRS 11 Joint Arrangements’ in de geconsolideerde jaarrekening.

In dit financiële overzicht zijn de cijfers over 2013 genormaliseerd voor de effecten van de methodebesluiten 2010-2013 op de opbrengsten (circa € 206 miljoen) en de vrijval van een deel van de pensioenvoorziening. In 2014 zijn geen effecten opgetreden waarvoor een normalisatie aan de orde is. De opbrengsten zijn in 2014 lager dan de genormaliseerde opbrengsten in 2013. Dit komt door de efficiencykortingen die door de Nederlandse regulator zijn opgelegd en door lagere capaciteitsboekingen bij GTS. Deze zijn grotendeels gecompenseerd door hogere opbrengsten uit GOAL en infrastructuur in aanbouw bij GUD. De financieringslasten zijn gedaald door de herfinanciering van de leningen in 2013 en een lagere schuldenpositie in 2014.

Investeringen

We hebben in de afgelopen jaren fors geïnvesteerd in de verdere ontwikkeling van de gasrotonde. Zo hebben we in 2014 de nieuwe gastransportleidingen van Beverwijk naar Wijngaarden en van Westerschelde West naar Cambron opgeleverd en zullen we in 2015 het uitbreidingsproject Exit Ellund voltooien. De investeringsuitgaven 2014 zijn lager dan verwacht als gevolg van de gunstige ontwikkeling van de kosten voor materialen en diensten. Daarnaast is een aantal projecten vertraagd of doorgeschoven naar 2015.
Op het gebied van nieuwe uitbreidingsprojecten voorzien we projecten die in Duitsland de overgang van H- naar L-gas mogelijk moeten maken en de bouw van een nieuwe stikstoffaciliteit in Nederland. Voor dit laatste wordt in het vierde kwartaal van 2015 de investeringsbeslissing genomen.

Financiële vooruitzichten

We verwachten voor 2015 op basis van de huidige inzichten een afname van het bedrijfsresultaat uit reguliere operationele activiteiten. De opbrengsten zullen dalen, voornamelijk als gevolg van de efficiencykorting zoals door de regulator in Nederland (1,3%) is vastgesteld. Verder wordt een stijging van de bedrijfslasten verwacht voornamelijk als gevolg van stijgende onderhoudskosten voor het netwerk. Dit hangt direct samen met het meerjarig vervangingsprogramma.

De focus zal in 2015 liggen op de optimalisatie van nieuwe reguleringsperioden (2017 voor GTS en 2018 voor GUD). Mogelijk wordt in 2017 ook voor GTS een statische efficiency benchmark onderdeel van de reguleringsmethodiek. De reguleringsmethodiek en de onderliggende parameters bepalen (in hoge mate) de verdiencapaciteit van onze gereguleerde assets. Ten aanzien van de niet gereguleerde business staat de komende jaren een verdere uitnutting van bestaande assets en het zo nodig ontwikkelen van nieuwe assets centraal. In het algemeen is een trend zichtbaar in de markt van langlopende naar kortlopende contracten.  

De nadruk ligt de komende jaren vooral op vervanging en onderhoud. In 2012 zijn we in Nederland met een meerjarig programma gestart dat erop gericht is gastransport ook in de toekomst veilig en betrouwbaar te kunnen uitvoeren. Naar verwachting resulteert het totale onderhouds- en vervangingsprogramma in een jaarlijkse investeringsniveau van circa € 200 miljoen.
Voor de komende 3 jaar verwachten we een jaarlijks totaal investeringsniveau (vervangings- en uitbreidingsinvesteringen) van circa € 300 miljoen.

Regulatoire vorderingen en schulden

De tarieven, die GTS en GUD aan haar afnemers in rekening mag brengen, zijn gereguleerd. Zij worden door de toezichthouders in respectievelijk Nederland en Duitsland bepaald aan de hand van de te verwachten toegestane omzet en de verwachte capaciteitsboekingen. Als de werkelijke omzet afwijkt van de verwachte omzet, wordt het verschil verrekend in de tarieven van latere jaren. Ook voor de energiekosten van het gastransport geldt een mechanisme van nacalculatie. Volledigheidshalve verwijzen we naar de beschrijving van het businessmodel van GTS en van GUD elders in dit verslag.

Ultimo 2014 staan de volgende bedragen open, gesplitst naar de periode waarin de bedragen in de tarieven worden verrekend:

In € miljoenen Openstaand Te verrekenen in tarieven  
  ultimo 2014  2015 2016 en verder
Te verrekenen door GTS 7 -14 21
Te verrekenen door GUD -33 -9 -24
       
Totaal -26 -23 -3

Op grond van de nu geldende IFRS regels mogen deze posities niet in de balans worden opgenomen, maar worden in de resultatenrekening verantwoord zodra zij via de tarieven in het desbetreffende jaar zijn verrekend (kasbasis).

In 2014 is in de opbrengsten in Nederland en in Duitsland verrekend respectievelijk een terugbetaling van € 12 miljoen en een terugbetaling van € 9 miljoen.

Financiering

In 2014 hebben we geen noemenswaardige aflossingen op de langlopende leningen gedaan. Aangezien ons investeringsprogramma gedurende 2014 van een relatief bescheiden omvang was, hoefden we in 2014 geen obligatieleningen uit te geven. Wel hebben we ultimo 2014 gebruik gemaakt van de leningfaciliteit die de Europese Investeringsbank (EIB) aan ons beschikbaar heeft gesteld voor de financiering van de leidingaanleg tussen Odiliapeel-Melick en Beverwijk-Wijngaarden. Wij hebben op deze faciliteit € 50 miljoen getrokken met een looptijd van 10 jaar. Omdat de investeringsuitgaven van deze projecten lager waren dan verwacht hebben we het restant van de leningfaciliteit geannuleerd.

Onze kortlopende financieringsverplichtingen zijn gedurende 2014 toegenomen van € 406 miljoen tot € 697 miljoen. Deze toename wordt met name veroorzaakt door het feit dat de resterende looptijd van één van de langjarige obligaties onder de 12 maanden is gekomen. Gedurende 2014 hebben we naast kortlopende deposito’s op de geldmarkt veelvuldig gebruik gemaakt van het Euro Commercial Paper (ECP) programma.

Het totale bedrag aan rentedragende schuld kwam ultimo 2014 uit op € 4.103 miljoen, een verlaging van € 181 miljoen ten opzichte van ultimo 2013. De balanspost geldmiddelen en kasequivalenten nam toe en kwam ultimo 2014 uit op € 47 miljoen (ultimo 2013: € 36 miljoen). Onze netto schuld positie (rentedragende schuld minus kasmiddelen) nam hierdoor in 2014 af met € 192 miljoen tot € 4.056 miljoen.

In juli 2014 hebben we onze gecommitteerde stand-by kredietfaciliteit vernieuwd. De nieuwe faciliteit heeft een grootte van € 750 miljoen, kent een initiële looptijd van 5 jaar die twee maal met 1 jaar verlengd kan worden en is afgesloten met een negental internationale banken.

De solvabiliteit is eind 2014 uitgekomen op 53% (2013: 51%). De stijging van de solvabiliteit wordt veroorzaakt door ingehouden winst en door positieve kasstromen.

In ons financieringsbeleid streven we naast het handhaven van onze liquiditeitspositie op een adequaat niveau ook naar de nodige toegang tot financieringsalternatieven en het zo efficiënt mogelijk aantrekken van financiering. Door middel van het Euro Medium Term Note (EMTN) programma, het eerder genoemde ECP-programma en onze activiteiten op de onderhandse geld- en kapitaalmarkt worden deze doelstellingen zoveel mogelijk ingevuld.

Vooruitkijkend moet in oktober 2015 een € 500 miljoen obligatielening worden afgelost. Omdat we voor 2015 een positieve cash flow uit operationele activiteiten verwachten, zal onze langetermijn financieringsbehoefte in 2015 lager zijn dan het genoemde aflossingsbedrag. Gedurende 2016 en 2017 dienen we obligatieleningen van respectievelijk € 700 miljoen en € 750 miljoen af te lossen. Gedurende 2015 bepalen we of deze aflossingspieken in 2016 en 2017 door proactief financieringsbeleid verkleind zullen worden.

Credit Ratings

De rating agencies Standard & Poor’s en Moody’s Investors Service hebben in 2014 de kredietwaardigheid beoordeling van Gasunie niet gewijzigd. Onze langetermijn credit rating bij Standard & Poor’s is A+ met een stable outlook en de kortetermijn rating is A-1. Bij Moody’s Investors Service is de lange termijn credit rating A2 met een stable outlook en de kortetermijn rating P-1.

Veiligheid en milieu

Als onderdeel van de gaswaardeketen willen we verantwoord omgaan met onze omgeving. Dat doen we op verschillende manieren zoals het ontwikkelen van duurzame business activiteiten, veilig en verantwoord omgaan met het milieu en het verkleinen van onze eigen footprint.  

Veiligheid: altijd prioriteit

Veiligheid voor onze medewerkers en onze omgeving is een belangrijke randvoorwaarde voor het kunnen uitvoeren van onze werkzaamheden. Het scheppen van een gezonde en veilige werkomgeving en het minimaliseren van (milieu)risico’s voor de omgeving heeft daarom prioriteit. Omdat veiligheid een belangrijke indicator is voor de kwaliteit van ons werk, willen we voor wat betreft onze veiligheidsprestaties bij de beste internationale gasinfrastructuurbedrijven horen. Volgens Europese benchmarks met vergelijkbare gastransportondernemingen, uitgevoerd door het Europese Marcogaz (belangenorganisatie van de gasindustrie op het gebied van techniek), scoren we goed binnen onze referentiegroep. We streven ernaar deze positie te behouden. In deze paragraaf beschrijven we onze belangrijkste veiligheidsresultaten de overige onderwerpen staan in de Veiligheidsbijlage.

Onze resultaten op het gebied van arbeidsveiligheid

Ondanks alle inspanningen op het gebied van veiligheid geven de resultaten in 2014 een minder positief beeld dan in 2013. Het aantal letselgevallen met verzuim is verdubbeld, zowel voor eigen medewerkers (van 2 naar 4) als bij aannemers (van 3 naar 7). Ook het aantal reportables per miljoen gewerkte uren is toegenomen, van 3,6 naar 5,0. We hebben onderzocht wat hiervan de oorzaak is en zijn gestart met een programma om het veiligheidsbewustzijn te verbeteren (zie Veiligheid: wat kan er beter?). We registreren ook het aantal potentieel ernstige gebeurtenissen (PE’s) die goed zijn afgelopen, maar waarvan de gevolgen ernstig hadden kunnen zijn. In 2014 hebben we 17 van deze PE’s geregistreerd, in 2013 waren dit er 20. We analyseren de PE’s nauwkeurig om herhaling te kunnen voorkomen.

We voeren doorlopend inspecties uit om de integriteit van ons transportsysteem te bewaken.

Technische veiligheid: veilig beheer en onderhoud van onze leidingen en installaties

Onze (transport)installaties voldoen aan de eisen die wet- en regelgeving stellen aan externe veiligheid. Om onze ondergrondse leidingen in goede conditie te houden, nemen we zowel preventieve als correctieve maatregelen. Inspecties zijn daarbij heel belangrijk. We voeren doorlopend inspecties uit om de integriteit van ons transportsysteem te bewaken. 

We inspecteren ondergrondse leidingen zowel aan de binnenkant als aan de buitenkant. Voor inwendige inspectie van de leiding maken we gebruik van intelligent pigs, een soort detectie-apparatuur die door de gasstroom wordt meegenomen in de leiding. In 2014 hebben we in Nederland 339 kilometer HTL-leidingen inwendig geïnspecteerd (2013: 267) en 186 kilometer RTL-leidingen (2013: 196). In Duitsland was dit 331 kilometer. Daarnaast hebben we nog eens 135 kilometer leiding die we niet met behulp van de intelligent pigs konden inspecteren, gecontroleerd met een bovengrondse inspectiemethode, External Corrosion Direct Assessment (ECDA). We hebben ECDA zelf ontwikkeld voor de inspectie van leidinggedeeltes die niet (goed) pigbaar zijn.

Naast het geven van voorlichting, het plaatsen van markeringspalen boven de leidingen en het houden van zichtinspecties, inspecteren we ons leidingtracé ook vanuit de lucht door middel van inspectievluchten per helikopter. Tijdens deze vlieginspecties hebben we verschillende situaties geregistreerd waarbij we het nodig vonden om direct actie te ondernemen om een veilige situatie te handhaven. 

Externe veiligheid: knelpunten opgelost

In 2011 is het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen ingegaan, dat tot doel heeft om bij te dragen aan een veilige ligging van leidingen. Onderdeel van dit besluit is dat knelpunten, waar kwetsbare objecten binnen de zogenaamde 10-6 contour liggen, binnen drie jaar worden opgelost door het nemen van maatregelen. Om aan deze wetgeving te voldoen hebben we (potentiële) knelpunten in kaart gebracht, en alle betrokken gemeentes gevraagd of de door ons in kaart gebrachte situatie overeenkomt met de werkelijkheid voor wat betreft de aanwezigheid van bijvoorbeeld personen en gebouwen. We hebben vervolgens per situatie maatregelen ontworpen en uitgevoerd.
In 2014 hebben we de laatste vijf knelpunten die we in kaart hadden gebracht, opgelost, en daarmee is het saneringsprogramma nu afgerond. In de toekomst zouden er echter nieuwe knelpunten kunnen ontstaan als er nog ongebruikte bouwmogelijkheden uit van kracht zijnde bestemmingsplannen worden benut. 

Leidingincidenten 

Om veilig en betrouwbaar gastransport te kunnen waarborgen, moet onze infrastructuur ongestoord kunnen liggen. We spannen ons daarom in om ervoor te zorgen dat er geen beschadigingen ontstaan aan onze leidingen. Mochten er toch beschadigingen aan onze leidingen ontstaan dan streven wij ernaar dat daar geen gas bij vrijkomt. Graafwerkzaamheden vormen de belangrijkste oorzaak van beschadigingen aan ons ondergrondse leidingnetwerk. 

In 2014 hebben we in Nederland als gevolg van mechanische grondwerkzaamheden drie leidingbeschadigingen geregistreerd, waarvan geen enkele met gasuitstroom. In 2013 waren dat er zes, waarvan geen met gasuitstroom. Bij Gasunie in Duitsland hebben zich in 2014 geen leidingbeschadigingen voorgedaan; in 2013 vonden ook geen leidingbeschadigingen plaats.

Onze resultaten vergeleken met anderen: Europese benchmark leidingincidenten (EGIG)

Omdat Europese gastransportbedrijven hun leidingincidenten op dezelfde manier registeren, kunnen we onze prestaties op dit onderdeel van de gastransportketen goed vergelijken met die van andere bedrijven. De European Gas Pipeline Incident Data Group (EGIG) registreert de prestaties van Europese gastransportbedrijven. Ten aanzien van leidingincidenten met gasuitstroom scoren wij beter dan het Europese gemiddelde. In 2013 was onze gemiddelde waarde over de laatste 5 jaar 0,099 incidenten per 1,000 kilometer. Het gemiddelde dat EGIG registreerde was 0,158. Over 2014 was ons gemiddelde 0,094 incidenten per 1,000 kilometer. Het EGIG-gemiddelde van het jaar 2014 is nog niet bekend op het moment van het uitkomen van dit verslag.

Veiligheid: waar kan het beter?

We spannen ons tot het uiterste in om ervoor te zorgen dat onze veiligheidsprestaties uitstekend zijn. Soms constateren we dat er toch dingen beter kunnen.

Stimuleren veiligheidsbewustzijn

We leggen de lat op het gebied van onze veiligheidsprestaties niet voor niets zeer hoog. Dit jaar waren we niet tevreden met onze resultaten omdat we onze doelstelling op het gebied van het maximale aantal reportables per miljoen gewerkte uren niet hebben gehaald. Om onze veiligheidsprestaties te verbeteren hebben we twee programma’s opgezet om het veiligheidsbewustzijn bij onze medewerkers en aannemers naar een nog hoger niveau te krijgen. 

Veilig werken? Zeker weten!

Het eerste initiatief is een actie om veilig gedrag te bevorderen onder het motto ‘Veilig werken? Zeker weten!’. Onze medewerkers moeten altijd voorafgaand aan werkzaamheden aan leidingen en installaties een last minute risico analyse uitvoeren (LMRA), zodat geen onverwachte risico’s over het hoofd worden gezien. Als ze constateren dat een situatie onveilig is of als ze zien dat er sprake is van onveilig gedrag ter plaatse, dan moeten ze ingrijpen. 

Medewerkers spelen een sleutelrol bij veilig werken. Het management moet daar echter wel goede voorwaarden voor creëren door er bijvoorbeeld voor te zorgen dat medewerkers over de juiste kennis en vaardigheden beschikken en door voldoende tijd en de juiste middelen ter beschikking te stellen. De rol van onze managers hierin is vastgelegd in de Managementcode VGM. Ons Executive Committee doet elk kwartaal veldbezoeken, zowel in Nederland als in Duitsland, om het belang dat zij hechten aan veilig werken te onderstrepen.

Roadmap to Safer Behaviour

We hebben TNO gevraagd ons te ondersteunen in het ontwikkelen van een roadmap, waarin we bestaande en nieuwe initiatieven op het gebied van veiligheid en veilig gedrag samenbrengen en waarmee we in de komende jaren onze veiligheidsperformance willen verbeteren. Als basis voor de roadmap hebben we in 2014 de huidige situatie in beeld gebracht via vragenlijsten aan medewerkers. Omdat iedere medewerker een rol speelt bij onze veiligheidsprestaties, worden alle medewerkers hierbij betrokken, zowel op kantoor als in het veld. Ook inleenkrachten en een selectie van aannemers doen hieraan mee. In 2015 gaan we hiermee verder.

Omdat iedere medewerker een rol speelt bij onze veiligheidsprestaties, worden alle medewerkers hierbij betrokken.

Vergroten zekerheid rondom integriteit van ingekochte materialen

Naar aanleiding van incidenten met materialen zoals T-stukken, buizen en reduceerstukken, hebben we in de afgelopen jaren meerdere onderzoeken uitgevoerd naar de levering van materialen die niet voldoen aan de specificaties van onze bestellingen. Uit intern onderzoek en uit openbare externe onderzoeken in de sector komt naar voren dat de verklaringen van leveranciers - ook in het geval dat een externe inspectiedienst toezicht houdt - niet altijd betrouwbaar zijn. Dat wil zeggen dat de verklaring voor wat betreft samenstelling en eisen niet altijd past bij het geleverde materiaal. Dit betekent overigens niet dat het materiaal zodanig afwijkt dat het een bedreiging vormt voor de procesveiligheid. Maar de kans daarop neemt wel toe als de verklaarde eigenschappen niet correct zijn. Bovendien levert het problemen op in projecten, als vlak voor het inbouwen van materialen blijkt dat deze nader onderzocht moeten worden en er geen aantoonbaar correcte alternatieven beschikbaar zijn.

Naar aanleiding hiervan hebben we ons inkoopbeleid voor materialen tegen het licht gehouden. Om de betrouwbaarheid van geleverde materialen te vergroten en daarmee de procesveiligheidsrisico’s en ook de projectrisico’s te reduceren, hebben we de inkoopstrategie en het toezicht op het geleverde materiaal aangepast in 2014. Onderdeel van het nieuwe beleid is dat we materialen inkopen met toezicht van een gecertificeerde eigen inspectiedienst. We checken de kwalificaties van onze leveranciers, waarbij we kijken naar hun technische deskundigheid, de organisatie en hun kwaliteitsmanagement. Deze kwalificaties moeten periodiek worden vernieuwd.
Tussentijds toetsen we de betrouwbaarheid van de leverancier met steekproeven. Omdat dit proces veel tijd in beslag neemt, selecteren we leveranciers waarmee we een langjarige relatie kunnen aangaan. In 2014 zijn we gestart met het auditen van bestaande en mogelijk nieuwe leveranciers; we hebben dit jaar 20 leveranciers bezocht. In totaal willen we circa 30 bedrijven bezoeken, waarbij we zijn begonnen met de meest risicovolle producten voor ons bedrijf, beoordeeld op basis van veiligheid, inkoopcriteria en projectrisico’s.
De eerste resultaten geven aan dat niet alle leveranciers hun inkoopproces ten aanzien van traceerbaarheid van materialen op orde hebben. We hebben gemerkt dat het lastig is om de andere leveranciers te overtuigen om hun inkoopproces op dit aspect te wijzigen.
Daarnaast hebben we geconstateerd dat een aantal bedrijven niet produceert en levert conform onze Gasunie Technische Standaards. We hanteren daarom nu een aangescherpt inspectiebeleid en een hogere inspectiefrequentie.

We stellen alles in het werk om schadelijke emissies naar bodem, water en lucht zo klein mogelijk te houden.

Milieuprestaties

Minimaliseren van de invloed op onze omgeving

Een aantal bedrijfsactiviteiten die kenmerkend zijn voor onze sector beïnvloeden het milieu. Het gaat bijvoorbeeld om het leggen van leidingen, het bouwen van gasinstallaties, het op druk brengen, transporteren en mengen van aardgas, het meten en regelen van gasstromen, het reduceren van de gasdruk en het onderhoud aan installaties. Voor deze activiteiten is energie nodig, waardoor emissies plaatsvinden. Daarnaast worden bepaalde stoffen gebruikt ten behoeve van het veilig functioneren van gastransportinstallaties, zoals glycol en smeerolie. Ook onze kantoorwerkzaamheden hebben invloed op het milieu, zij het een beperkte. We stellen alles in het werk om schadelijke emissies naar bodem, water en lucht zo klein mogelijk te houden.

Milieuzorg gecertificeerd

Om te waarborgen dat we in relevante bedrijfsprocessen goed rekening houden met het milieu, hebben we ons milieuzorgsysteem ingericht volgens de ISO 14001-norm. Ieder jaar wordt ons managementsysteem op dit punt door een extern auditbureau gecontroleerd.

CO2-emissie

We streven ernaar om op het gebied van het beperken van CO2-emissie toonaangevend te zijn. Het basisjaar aan de hand waarvan we onze reductiedoelstellingen hebben opgesteld en meten is 1990, dat internationaal als basisjaar wordt gehanteerd zoals afgesproken in het Kyoto-protocol.
Het uiteindelijke punt aan de horizon ligt in 2050. We willen in dat jaar, samen met een aantal Europese netbeheerders, een CO2-neutrale energievoorziening hebben gerealiseerd. Om deze ambitie te kunnen waarmaken, hebben we een strategie uitgezet met een tussentijds ijkpunt. Dit ijkpunt is een vermindering van 40% CO2-equivalenten in 2030 en is in lijn met ontwikkelingen op dit gebied in Europa. Deze reductie kunnen we halen op de hele scope van het Green House Gas Protocol (GHG Protocol), die we hieronder toelichten. De reductiedoelstelling die we eerder al voor 2020 hadden opgesteld, blijven we hanteren.

In absolute zin betekent onze doelstelling een reductie van 124 kiloton CO2-equivalenten. We rapporteren vanaf 2013 volgens de standaard van het Greenhouse Gas Protocol (GHG Protocol). Dit protocol voor broeikasgassen onderscheidt verschillende categorieën (scopes), gerangschikt naar herkomst van het broeikasgas. Deze categorieën zijn:

  • Scope 1
    Hieronder vallen alle emissies die direct het gevolg zijn van onze eigen activiteiten, zoals de CO2-uitstoot van gasgestookte compressoren en motoren die voor de compressie worden ingezet, eigen gasverbruik voor verwarming van gebouwen en eigen gasverbruik voor de verwarmingsketels op gasontvangstations In deze categorie worden ook de CO2-equivalenten door methaanuitstoot meegenomen. Binnen deze categorie valt ook de emissie van fluorkoolwaterstoffen (HFK’s), die worden gebruikt bij koelingsprocessen.
  • Scope 2
    Onder categorie 2 vallen de indirecte emissies van de energie die is ingekocht, bijvoorbeeld van een elektriciteitsbedrijf. Voor ons bedrijf worden de categorie 2 CO2-equivalenten met name bepaald door het gebruik van elektriciteit voor onze elektrische compressoren en voor de productie van stikstof. Ook de elektriciteit die we verbruiken op onze kantoren en installatiegebouwen valt binnen deze categorie.
  • Scope 3
    Hieronder vallen alle overige indirecte emissies die het gevolg zijn van onze bedrijfsactiviteiten, bijvoorbeeld emissies als gevolg van autorijden, vliegreizen en treinreizen en ook de benodigde energie voor de productie van de door ons ingekochte stikstof.

In 2013 heeft een aantal netwerkbedrijven in Nederland een nieuw model ontwikkeld om CO2-emissies te rapporteren op basis van het Green House Gas Protocol. Dit model passen we toe vanaf verslagjaar 2013. Omdat het model niet volledig vergelijkbaar is met het model van de voorgaande jaren hebben we in de huidige rapportage alleen de totalen van categorie 1, 2 en 3 opgenomen van de jaren vóór 2013.

CO2-equivalentemissies volgens het Greenhouse Gas Protocol
CO2-equivalentemissies volgens het Greenhouse Gas Protocol

De totale CO2-equivalentemissie is in 2014 aanzienlijk lager dan in 2013. Dat komt voornamelijk door het lagere brandstofverbruik in 2014, waardoor de emissie onder scope 1 flink gedaald is. Door de relatief zachte winterperiode in 2014 werd minder gas door ons net getransporteerd, waardoor er minder compressie nodig was om het gas te transporteren.
Van de 117 kiloton CO2-equivalenten als gevolg van het gasverbruik op onze installaties werd ongeveer 20% veroorzaakt door het inzetten van de flare op de Peakshaver, net als in 2013. De CO2-equivalenten die voortkomen uit het elektriciteitsverbruik zijn in 2014 ongeveer gelijk aan 2013. Het elektriciteitsverbruik wordt met name veroorzaakt door de inzet van elektrische compressoren (65%), de vloeibaarmaking van aardgas op de Peakshaver (10%) en de productie van stikstof op locaties Ommen en Kootstertille (3%).

Methaanemissies

Onze methaanemissies zijn in 2014 (8.379 ton) gedaald ten opzichte van 2013 (10.204 ton). Deze daling van de emissies in 2014 ten opzichte van 2013 komt voor ongeveer 60% doordat we veel aandacht hebben besteed aan het meten en het repareren van kleine lekkages op gasontvangstations en meet- en regelstations. Dat zullen we de komende jaren blijven doen.

Er vindt niet alleen methaanemissie plaats door sluipende emissies, maar ook door het afblazen van gas tijdens onderhoudswerkzaamheden. In Duitsland zijn de methaanemissies ten opzichte van 2013 gedaald omdat minder werkzaamheden aan leidingen plaatsvonden en dus minder hoefde te worden afgeblazen. Afblazen is nodig om veilig werkzaamheden te kunnen uitvoeren. We proberen deze emissies natuurlijk zoveel mogelijk te voorkomen. We lichten dit verderop in deze paragraaf toe onder Hercompressie leidingwerkzaamheden.
Daarnaast komt methaan vrij bij het starten en stoppen van compressoren en bij het gebruik van meetapparatuur.  

Footprintreductie

In 2014 hebben we verder onderzoek gedaan naar mogelijkheden om onze footprint te verkleinen, en ook diverse projecten uitgevoerd die daaraan bijdragen. Zoals een omvangrijk ‘leak detection and repair’ (LDAR)-programma, dat we hebben uitgevoerd op onze grote compressorstations en de Peakshaver. Daarnaast hebben we het afgelopen jaar ongeveer 388 gasontvangstations, 22 afsluiterlocaties en 11 meet- en regelstations bemeten en beoordeeld.
Ook Gasunie Deutschland heeft veel inspecties uitgevoerd in het kader van het LDAR-programma. Met behulp van deze gegevens kunnen we gerichte maatregelen nemen om opgespoorde lekkages terug te dringen.

In 2014 hebben we verder onderzoek gedaan naar mogelijkheden om onze footprint te verkleinen, en ook diverse projecten uitgevoerd die daaraan bijdragen.

Hercompressie leidingwerkzaamheden

Het afblazen van gas bij leidingwerkzaamheden proberen we zoveel mogelijk te voorkomen. Soms is het echter noodzakelijk om gas af te blazen om veilig te kunnen werken aan gasleidingen. Wij gebruiken al enige jaren een mobiele hercompressie-unit waarmee we zoveel mogelijk gas - dat anders zou moeten worden afgeblazen - hercomprimeren en in een andere leiding overbrengen. Zo hoeven we minder gas af te blazen. In 2014 hebben we 1,9 miljoen m³(n) aardgas gehercomprimeerd, waarmee we de uitstoot van 28 kiloton CO2-equivalenten hebben voorkomen. We hebben in 2014 naar schatting bijna 0,5 miljoen euro bespaard op aardgaskosten door de inzet van de mobiele hercompressor.

We gebruiken verschillende technieken om leidingen gasvrij te maken. In de volgende tabel is een overzicht gegeven van de hoeveelheden aardgas die daarbij zijn vrijgekomen of waarvan we het vrijkomen hebben vermeden. 

Technische maatregel gasvrij maken leidingen

Technische maatregel gasvrij maken leidingen
  2013  2014 
  m3∙1000 aardgas m3∙1000 aardgas
Vrijkomen van gas vermeden door:    
Uitbufferen 1.826 * 2.201
Hercompressie 2.268 1.946
Totaal 4.094 4.147
Gas vrijgekomen bij:    
Flaren  0 250
Afblazen 1.152 959
Totaal 1.152 1.209

* Dit getal betreft een schatting die we hebben verkregen op basis van schakelprogramma’s, die we gebruiken om bij leidingwerkzaamheden leidingen veilig gasvrij te kunnen maken en het gastransport ongestoord via een andere route door te laten gaan. 

Een van de oorzaken voor het afblazen was een omvangrijk project waarbij we gasontvangstations en meet- en regelstations vernieuwen. Om deze werkzaamheden te kunnen uitvoeren moeten de betreffende stations eerst drukloos worden gemaakt. Verder was het een aantal maal noodzakelijk om ook een leidingsectie drukloos te maken om daaraan werkzaamheden te kunnen uitvoeren. In 2014 is er iets minder gas afgeblazen dan in 2013.

Afvalstoffen

Bij de grote diversiteit aan werkzaamheden die we uitvoeren, komen afvalstoffen vrij. Met het oog op veiligheid, milieuwetgeving, goede milieuzorg en het beheersbaar houden van de kosten, willen we op een verantwoorde manier omgaan met het afvoeren van deze afvalstoffen. We passen daarbij de voorschriften toe die zijn opgenomen in de wet Milieubeheer en de diverse milieuvergunningen die we voor onze werkzaamheden krijgen.

In 2014 is in totaal in Nederland en Duitsland 5.880 kiloton gevaarlijk afval en 18.418 kiloton niet-gevaarlijk afval afgevoerd. Ten opzichte van 2013 steeg de totale hoeveelheid afval van 20.530 kiloton naar 24.298 kiloton, hetgeen met name wordt veroorzaakt doordat we meer bouw en sloopafval en grond van verontreinigde locaties hebben afgevoerd.

Door de lagere beschikbaarheid van grondstoffen wordt het steeds interessanter om afvalstoffen te gebruiken als halffabricaten. Daarmee heeft afval waarde gekregen. Uiteraard stelt dat hogere eisen dan voorheen aan het scheiden van afvalstoffen aan de bron.
Op onze locaties worden afvalstoffen zoals chemicaliën, oliën, vetten en onderhoudsmiddelen gescheiden ingezameld; daarna worden ze door erkende afvalinzamelaars afgevoerd naar erkende afvalverwerkingsbedrijven.
Ongeveer 7% van het afval bestaat uit metaal, wat bijna in z’n geheel kan worden hergebruikt.  

Afvalstoffen afkomstig uit onze werkzaamheden in Nederland wordt in Nederland verwerkt, om onnodig transport te voorkomen. Mocht het elders moeten worden verwerkt, dan maken we duidelijke afspraken over het feit dat we in dit kader geen kinderarbeid accepteren.  

Aardgasgebruik

Voor het transport van aardgas worden gasturbines en gasmotoren ingezet. Een groot deel van deze machines gebruikt aardgas als brandstof. Daarnaast wordt aardgas gebruikt voor het verwarmen van gas op gasontvangstations (omdat gas afkoelt bij drukverlaging) en het verwarmen van onze kantoren en utiliteitsgebouwen.  

De hoeveelheid aardgas die we transporteren en het daaraan gekoppelde brandstofverbruik dat nodig is voor compressie is onder andere afhankelijk van het weer en de vraag naar aardgas.
Door de zachte winterperioden hebben we in 2014 slechts 81 miljoen m3 aardgas verbruikt. Dit is een aanzienlijke daling ten opzichte van voorgaande jaren. Daarnaast hebben we door het verplaatsen van de gastromen (swaps) op innamepunten en uitgaande punten van aangrenzende netwerkoperators getracht om de benodigde compressie te verminderen. We zetten daarbij bij voorkeur elektrisch aangedreven compressoren in boven gasaangedreven compressoren, vanwege milieuwetgeving die de uitstoot van stikstofoxiden beperkt. Ook door deze maatregel is het eigen gasverbruik afgenomen.

Elektriciteitsgebruik

We gebruiken elektriciteit voor de productie van stikstof voor compressie van aardgas voor het vloeibaar maken van aardgas, voor de compressie die benodigd is voor de opslag van aardgas in zoutcavernes en voor onze kantoren en utiliteitsgebouwen.  

Door de ingebruikname van de nieuwe elektrische compressoren op de locaties Grijpskerk, Anna Paulowna, Scheemda, Wijngaarden en Zuidwending is het elektriciteitsverbruik ten behoeve van compressie sinds 2006 toegenomen. Het elektriciteitsverbruik in 2014 is iets lager dan het gebruik in 2013. Daarnaast zijn de compressoren op Wijngaarden, Anna Paulowna en Scheemda minder ingezet, met name omdat voor aardgastransport minder compressie nodig was vanwege de zachte winterperioden begin 2014. Het verschil in de gebruikte energie ten opzichte van 2013 is voor gasturbines groter dan voor elektrisch aangedreven compressoren.

Tezamen gebruiken de compressoren op de installaties Scheemda, Anna Paulowna en Wijngaarden ongeveer 64% van de totale hoeveelheid elektriciteit. De ondergrondse gasopslag EnergyStock in Zuidwending gebruikt ongeveer 16% en de Peakshaver op de Maasvlakte 10% van de totale elektriciteit. Voor de productie van stikstof op Ommen, Kootstertille en Zuidbroek was in 2014 2% van de totale hoeveelheid elektriciteit nodig. Doordat de G-gas productie de komende jaren langzamerhand zal afnemen en er steeds meer H-gas moet worden ingepast ligt het in de verwachting dat in de toekomst meer stikstof nodig is om het H-gas op de gewenste kwaliteit te brengen, dus ook elektriciteit.

Watergebruik

We gebruiken hoofdzakelijk water voor het koelproces in onze Peakshaver op de Maasvlakte, voor reinigingsdoeleinden en voor sanitaire voorzieningen. In 2014 hebben we ongeveer 13,3 miljoen m3 oppervlaktewater (2013: 8,7 miljoen m3) en 36.000 m3 leidingwater (2013: 46.451 m3) verbruikt. Het leidingwaterverbruik bij Gasunie Duitsland bedroeg 2.670 m3 in 2014 (in 2013: 1.791 m3).

Rijden op groen gas

Bij rijden op groen gas komt minder CO2 en fijnstof vrij dan bij andere brandstoffen. Als onderdeel van ons footprintreductiebeleid zijn we drie jaar geleden gestart met de vergroening van ons wagenpark. We zijn toen een pilot gestart met 21 bedrijfswagens die worden ingezet voor onderhoud aan ons gastransportnet. Ons doel is om uiteindelijk al onze 284 bedrijfsauto’s op groen gas te laten rijden. De ervaringen waren tot dusver positief. Daarom is in 2014 besloten om het aantal groengasbedrijfswagens in 2015 uit te breiden met 15 wagens van een ander type om ook daar ervaring mee op te doen. Met deze extra vijftien groengas-Transporters, waarmee we gezamenlijk zo’n 390.000 kilometer per jaar rijden, willen we jaarlijks ongeveer 50.000 kg CO2 uitsparen en circa 65.000 liter fossiele brandstof. De wagens zijn in het eerste kwartaal van 2015 in gebruik genomen. Ook willen we in 2015 drie groengas poolauto’s ter beschikking stellen aan onze medewerkers, die gebruikt kunnen worden om van en naar vergaderlocaties in Nederland te rijden.
We geven daarnaast onze medewerkers die voor een lease-auto in aanmerking komen de mogelijkheid om een lease-auto op groen gas aan te schaffen.